direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Café Hanneke
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0209.BPCafeHanneke-ow01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Door de eigenaar van Café Hanneke in Weurt is een principeverzoek aan de gemeente gedaan voor een verbreding van de horecamogelijkheden in zijn bestaande pand aan de Van Heemstraweg 17. Het verzoek betreft het gebruik van het oude cafégedeelte voor lichte horeca. Tevens voorziet dit bestemmingsplan in de mogelijkheid tot overnachten (hotel, bed & breakfast) en het houden van vergaderingen.

Het gebruik van de deel (achterzijde pand) als feestzaal, zoals het geldende bestemmingsplan dat ook toestaat, blijft behouden. Het gebruik van het cafégedeelte (voorzijde) als feestzaal wordt in dit bestemmingsplan niet toegestaan. Gelijk aan het geldende bestemmingsplan wordt enkel het bestaande terras aan de zuidoostzijde toegestaan.

Aangezien het plan past in het gemeentelijke beleid is de gemeente in principe akkoord. Het plan past niet in het geldende bestemmingsplan. Om het te realiseren is het noodzakelijk een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Van Heemstraweg 17 in Weurt. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPCafeHanneke-ow01_0001.png"

Luchtfoto Café Hanneke en omgeving

1.3 Geldende plan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied', zoals op 14 juni 2011 is vastgesteld door de gemeenteraad van Beuningen. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Horeca, met de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca 3'. Tevens geldt ter plaatse de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Over een klein deel van het plangebied is een gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - lpg' gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPCafeHanneke-ow01_0002.png"

Uitsnede geldend bestemingsplan 'Buitengebied'

Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca-3" (gelegen over het gehele bestemmingsvlak) is een feestzaal toegestaan en geldt dat uitsluitend het bestaande terras aan de zuidoostzijde is toegestaan met een oppervlakte die niet meer mag bedragen dan 40 m². Ten aanzien van de feestzaal geldt voorts dat de oppervlakte van de feestzaal niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte van de feestzaal. De gezamenlijke oppervlakte van de toiletten, ruimten achter de bar, garderobe, berging en rookruimte worden niet betrokken bij het bepalen van de bestaande oppervlakte van de feestzaal.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 3 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.


Verantwoording 
Hoofdstukken 4 en 5 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.


Uitvoerbaarheid 
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Bestaande situatie

Café Hanneke is gelegen aan de Van Heemstraweg 17 tussen de kernen Weurt en Beuningen. Het is gesitueerd op de splitsing/kruising met de Koningstraat, de oude verbinding tussen de kernen op de oeverwal. Vanwege deze samenkomst van wegen is in de omgeving van het café enige clustering van bebouwing en functies aanwezig.

De bebouwing heeft een karakteristieke uitstraling en staat met de kop gericht op en met de rooilijn evenwijdig aan de Koningstraat. De bebouwing vormt een ensemble met de naastgelegen woning. Ten oosten van het café is een ruime parkeervoorziening aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPCafeHanneke-ow01_0003.png"

Café Hanneke aan de Van Heemstraweg in Weurt

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie zal het bebouwingsbeeld niet veranderen, het bestemmingsplan beoogt slechts een functieverbreding binnen de bestaande bebouwing. Het gebruik van de deel als feestzaal blijft mogelijk in dit bestemmingsplan. Daarnaast wordt in het gehele pand lichte horeca toegestaan, waardoor ook de voorzijde weer gebruikt kan worden en wordt de mogelijkheid om te vergaderen en overnachten opgenomen. Deze functies leiden niet tot geluidshinder, waardoor sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat in de omgeving. De maximale muziekgeluidniveaus zijn daartoe in de regels geborgd.

De toegestane horeca-categorieën betreffen:

horeca categorie 1 (op de begane grond binnen gehele bestaande bebouwing):

brasserie, bistro, lunchroom, café-restaurant, eetcafé, restaurant, waarbij het verstrekken van dranken ondergeschikt is en waarbij eventueel muziek ten gehore wordt gebracht;

horeca categorie 2: (op de begane grond binnen gehele bestaande bebouwing)

het houden van receptie, koffietafel, borrel, buffet en andere naar aard en omvang vergelijkbare besloten activiteiten, al dan niet met de verstrekking van dranken en etenswaren en waarbij eventueel muziek ten gehore wordt gebracht.

horeca categorie 3: (op de begane grond binnen gehele bestaande bebouwing)

het houden van congressen, conferenties en andere vergaderingen, en tot het houden van activiteiten in het kader van het verenigingsleven, waarbij het verstrekken van voedsel en dranken ondergeschikt is;

horeca categorie 4 (uitsluitend op de verdieping):

hotel, motel, bed & breakfast, dat wil zeggen het verstrekken van nachtverblijf waarbij het verstrekken van voedsel en dranken ondergeschikt is;

horeca categorie 5 (op de begane grond, uitsluitend ter plaatse van de deel):

zalencentrum, partycentrum, dat wil zeggen het verstrekken van gelegenheid tot het houden van bruiloften en besloten partijen al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en etenswaren.

Gelijk aan de bestaande regeling, is uitsluitend het bestaande terras aan de zuidoostzijde van het pand toegestaan. Overige terrassen zijn uitgesloten.

Door deze functieverbreding zal Café Hanneke weer een uitnodigender uitstraling krijgen langs de Van Heemstraweg en ook als pleisterplaats fungeren voor toeristen. Het plan past in het gemeentelijke beleid, waar het gaat om de betere toeristisch-recreatieve benutting van het buitengebied.

De locatie is gelegen aan en nabij doorgaande ontsluitende en recreatieve routes en is daarmee goed zichtbaar en bereikbaar. Langs het gehele tracé van de Van Heemstraweg zijn van oudsher horecavoorzieningen gevestigd. Tegenwoordig hebben zij (ook) een rol in de toeristisch-recreatieve structuur. De aanwezigheid van horeca versterkt de toeristisch-recreatieve aantrekkingskracht. De functieverbreding van Café Hanneke past goed binnen deze gewenste versterking. Gelegen aan de Van Heemstraweg, Koningsweg en via de Bonenkampstraat met een directe verbinding met de dijk en (heringerichte en toegankelijker gemaakte) uiterwaarden langs de Waal met het Weurtsche Straatje is de locatie van Café Hanneke ook een uitermate geschikte plek voor een verbrede horecavoorziening, die het mede voor toeristen en recreanten mogelijk maakt om een tussenstop te maken of als begin- of eindpunt te fungeren voor een fiets- of wandelroute.

Hoofdstuk 3 Juridische planbeschrijving

3.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In de Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.

Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

3.1.1 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels
In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde.

3.1.2 Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving 
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels 
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Specifieke gebruiksregels 
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

Afwijken van de bouwregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.


Afwijken van de gebruiksregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

3.1.3 Algemene regels

Anti-dubbeltelbepaling 
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels 
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels 
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels 
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. 

Algemene wijzigingsregels 
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

3.1.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht 
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

3.2 Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan kent 1 bestemming, en 1 dubbelbestemming. tevens is een gebiedsaanduiding opgenomen. Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de bestemmingen.

Horeca

Deze bestemming is reeds opgenomen in het geldende bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan zijn de gebruiksmogelijkheden verbreed met verschillende vormen van lichte horeca, zie ook 2.2. In de begripsbepalingen zijn de horecamogelijkheden verdeeld in enkele categorieën. In de regels is vervolgens opgenomen waar welke categorie is toegestaan. In het kader van het borgen van een goed woon- en leefklimaat zijn de maximale muziekgeluidniveaus in de gebruiksregels opgenomen. De feestzaal is uitsluitend aan de achterzijde (de deel) van het pand toegestaan. Hiertoe is een aanduiding en een maximale vloeroppervlakte opgenomen. Overige vormen van lichte horeca zijn in het gehele pand toegestaan, met dien verstande dat overnachten (hotel, bed & breakfast) alleen op de verdieping is toegestaan. De geldende mogelijkheden ten aanzien van een terras zijn in dit bestemmingsplan overgenomen. Uitsluitend het terras aan de zuidoostzijde van het pand blijft toegestaan, overige terrassen zijn uitgesloten.

Gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - lpg'
Deze gebiedsaanduiding heeft betrekking op het lpg-vulpunt van het nabij gelegen tankstation en is gelijk aan de gebiedsaanduiding in het geldende bestemmingsplan. Overigens wordt op dit moment LPG niet (meer) aangeboden bij het tankstation.

Waarde - Archeologie 2 (dubbelbestemming)
Deze dubbelbestemming is gelijk aan de dubbelbestemming in het geldende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Nationaal beleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 door de Minister van I&M is vastgesteld. In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 4.1.2.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 15 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen: mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, waddenzee en waddengebied, defensie, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, rijksvaarwegen, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, elektriciteitsvoorziening, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Barro opgenomen, alsmede als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De 'ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. De ladder bestaat uit drie treden (de 3 B's):

  • 1. Behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte waarin nog niet elders in de regio is voorzien? Het kan zowel om een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte gaan.
  • 2. Binnen- of buitenstedelijk: indien er sprake is van een actuele regionale behoefte, dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties.
  • 3. Bereikbaarheid met meerdere modaliteiten: indien gekozen moet worden voor een locatie buiten het stedelijke gebied, dan gaat de voorkeur uit naar een plek die (in de toekomst) bereikbaar is via verschillende vervoerswijzen.

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt.

Ter plaatse van het bestemmingsplan is reeds sprake van een bestemming 'Horeca'. Aangezien dit plan enkel een functieverbreding mogelijk maakt binnen de bestaande bebouwing, is dit conform de actuele jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling volgens de definitie van de Bro. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

4.1.3 Conclusie

Ter plaatse van het bestemmingsplan is reeds sprake van een bestemming 'Horeca'. Aangezien het plan een functieverbreding binnen de bestaande bebouwing mogelijk maakt, zijn in het plangebied geen nationale belangen in het geding.

4.2 Provinciaal & regionaal beleid

4.2.1 Algemeen

Op 14 januari 2014 stelde het college van Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vast. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels. Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie in hun vergadering van 9 juli 2014 vastgesteld. De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beide op 18 oktober 2014 in werking getreden.

Afspraken op nationaal en Europees niveau kunnen vragen om herziening of actualisering van de Gelderse Omgevingsvisie. Een tweede en derde actualisatie van de Omgevingsvisie over water en natuur is op respectievelijk 8 juli en 11 november 2015 vastgesteld. Deze actualisaties zijn net als de eerste actualisatie over Windenergie, opgenomen en verwerkt in de tekst en kaarten van de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie (december 2015).

Gelijk aan de Omgevingsvisie, wordt ook de Omgevingsverordening geactualiseerd. De eerste en tweede actualisatie over water en natuur zijn op respectievelijk 8 juli en 11 november 2015 vastgesteld en verwerkt in de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening (december 2015).

4.2.2 Omgevingsvisie

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • 1. een duurzame economische structuur;
  • 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Ruimte in kleinere kernen en vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd.

De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat voor:

  • sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken;
  • een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan.

De provincie streeft onder andere naar het beter benutten van gebiedskwaliteiten, oftewel het verbinden van kwaliteiten van een gebied met ontwikkelingsmogelijkheden, respect en aandacht voor cultuur en cultuurhistorie en ruimte voor (sportieve) vrijetijdsbesteding.

Cultuur en cultuurhistorie hebben bij uitstek een verbindende functie. Ze verbinden mensen onderling en aan de plek waar ze wonen en werken. Ze zijn van grote betekenis voor de leefbaarheid in steden en dorpen, de identiteit van regio's en voor de vrijetijdseconomie. De Gelderse steden kenmerken zich door een sterke historisch karakter en door een hoge ruimtelijke kwaliteit. Ook het gevarieerde Gelderse landschap kent bijzondere cultuurhistorische kwaliteiten. De culturele infrastructuur is goed ontwikkeld en het stedelijk gebied huisvest enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

Als leidend principe hanteert de provincie de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Dit houdt in dat in bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moet worden aangegeven hoe met de ladder is omgegaan, zie ook 4.1.2. De provincie hanteert voor de bepaling van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro.

4.2.3 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.

4.2.4 Conclusie

Ter plaatse van het bestemmingsplan is reeds sprake van een bestemming 'Horeca'. Aangezien het plan een functieverbreding binnen de bestaande bebouwing mogelijk maakt, zijn in het plangebied geen provinciale belangen in het geding.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Strategische visie

In 2008 – 2009 is onderzoek gedaan naar de gewenste toekomst van de gemeente. Uit dit onderzoek is de strategische visie voortgekomen. In overleg met bewoners, ondernemers, ambtenaren en deskundigen heeft de gemeenteraad 6 strategische hoofdlijnen bepaald:

  • 1. De 4 verschillende kernen en gemeenschappen zijn uitgangspunt;
  • 2. De gemeente Beuningen wil een compacte, servicegerichte en ondersteunende organisatie zijn;
  • 3. In de gemeente Beuningen kun je duurzaam wonen en leven;
  • 4. De gemeente Beuningen is zuinig op het buitengebied;
  • 5. De economische ontwikkeling van de gemeente Beuningen past binnen het landschappelijke karakter;
  • 6. De gemeente Beuningen is sterk verbonden met de regio en biedt goede leef- en recreatieruimte.

Een belangrijke troef van de gemeente Beuningen in de regio is het zeer uiteenlopende aanbod aan woningen met een tuin. De gemeente stuurt al meer dan 20 jaar op de kwaliteit van leven die in deze regio zo hoog is. Wonen is dan ook de belangrijkste bijdrage aan de omringende regio. De sferen in de gemeente lopen uiteen van uitgesproken dorps in Winssen en Weurt, via het suburbaan en groeiend Ewijk tot het netwerkgewijze, meer kleinstedelijke klimaat van Beuningen.

De gemeente heeft steeds welwillend een bijdrage geleverd aan de uitbreiding van de woningvoorraad in de regio. Maar de gemeenschap hecht ook veel waarde aan zorgvuldige inpassing, organische groei en een behoedzame verandering die past bij de gemeenschappen. De vergrijzing en de ontgroening vragen om slimme toekomstbestendige investeringen in voorzieningen, door flexibele oplossingen en clustering van activiteiten. De kracht van de gemeenschap zal in sterke mate afhangen van het vermogen om de inwoners als vrijwilligers en mantelzorgers te betrekken bij het in stand houden van de voorzieningen, die fijnmaziger en kleinschaliger zullen worden.

De klimaatverandering vereist dat de uitstoot van CO2 drastisch wordt teruggebracht en dat de inrichting klimaatbestendig wordt gemaakt. De gemeente wil de kwaliteit van de gemeente en de opgaven rondom duurzaamheid, met name op het gebied van wonen, een centrale rol geven. Dat betekent dat de gemeente meer wil doen dan wettelijk nodig is en haar eigen visie op kwaliteit van leven binnen de gemeente actief bewaakt en uitbouwt.

De gemeente Beuningen is en blijft vooral een woongemeente. Een belangrijke ontwikkeling is het verdwijnen van de scheiding tussen wonen en werken voor steeds meer mensen. De hoeveelheid bedrijven aan huis neemt gestaag toe; mensen werken meer thuis en recreëren meer op en rond hun werk. De provincie voorziet bovendien op termijn een forse afname van de beroepsbevolking; tot 2040 zelfs met meer dan 25 %. Grootschalig, industrieel ondernemen past niet meer in de gewenste identiteit van gemeente. Wel worden karakteristieken als (kleinschalig) initiatief, durf en toekomstgerichtheid genoemd.

4.3.2 Structuurvisie Gemeente Beuningen

De gemeentebrede Structuurvisie is op 8 mei 2012 vastgesteld. De structuurvisie is een ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter. Het bevat integrale keuzen voor de hoofdlijnen van het gemeentelijk ruimtelijk beleid voor de komende jaren en wordt ingezet als onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing voor bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en voorbereidingsbesluiten. Motto van de structuurvisie is dat de gemeente groen en dynamisch wil zijn. In essentie is het ruimtelijk beleid er op gericht om ruimte te geven aan dynamiek, waarbij de groene kwaliteiten van het gebied gerespecteerd en deze waar dat kan versterkt worden. Het motto wordt in de structuurvisie doorvertaald in enkele kernambities:

  • I. Beuningen: groene flank van de stadsregio
  • II. Beuningen woongemeente: gedoseerde groei, oog voor kwaliteit
  • III. Versterken en verbinden van landschappen
  • IV. Ruimte voor water en recreatie
  • V. Toekomstgerichte basisvoorzieningen in elke kern
  • VI. Doorstroming én oversteekbaarheid Van Heemstraweg

Ambitie III Versterken en verbinden van landschappen

De combinatie van kwaliteit, variëteit en nabijheid van verschillende typen landschappen vormt een unieke waarde van de gemeente Beuningen. De Waal, de uiterwaarden en de dijken, de fruitteelt en de kleinschalige landschappen rond de oeverwal, het open kommengebied van het Beuningse Veld als onderdeel van het Land van Maas en Waal, de zandwinplassen en de groene 'ademruimten' tussen de dorpen; het levert boeiende landschappelijke contrasten op en ze liggen allemaal op korte afstand van elkaar. Deze landschappelijke setting maakt Beuningen aantrekkelijk om in te wonen, te leven én te recreëren, voor zowel de mensen uit Beuningen als voor mensen van buiten de gemeente. De gemeentelijke ambitie voor de toekomst is om de unieke eigenschappen van de verschillende landschapstypen én de onderlinge verbindingen te behouden en verder te versterken. Een sterk landschappelijk raamwerk en een recreatief 'rondje Beuningen', waarin de diverse landschappen voor wandelaars en fietsers goed ontsloten zijn, moet het resultaat zijn. In het oeverwalgebied bestaat de uitdaging om de opgaven vanuit landschap, landgoederen, water en recreatie onderling te verbinden.

Recreatief landschap

Een belangrijke kwaliteit waarmee de recreatieve ambities verder verwezenlijkt kunnen worden, is de aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van het Beuningse landschap. De voorstellen die in de structuurvisie worden gedaan om het landschap te behouden en te versterken, dragen daarom direct bij aan deze ambities. De gemeente werkt zowel aan de kwaliteit van de verschillende landschapstypen (het rivierenlandschap, het Waaloeverwalgebied, de openheid van het Beuningse Veld) als aan de onderlinge landschappelijke verbindingen.

De aanleg van een nevengeul en het landschappelijk inpassen van de steenfabrieksterreinen vergroten de aanwezigheid van de 'genius of the place', de kenmerkende eigenheid van het Beuningse uiterwaardenlandschap. Om dit optimaal te beleven, moet het gebied ook voor recreanten goed bereikbaar zijn. Zodoende komen er naast struin- en wandelroutes ook nieuwe fietsroutes. Het gebied kan voor recreanten nog aantrekkelijker gemaakt worden door de bestaande 'beeldenroute' te versterken. De kop van de Weurtse plaat bij de uitwijkhaven leent zich hier bijvoorbeeld zeer goed voor.

Door de binnendijkse ontwikkelingen (wandel- en fietspaden in het oeverwalgebied) goed aan te laten sluiten op de (struin)routes in de uiterwaarden nemen de recreatieve mogelijkheden verder toe. Uiteindelijk kunnen deze ontwikkelingen een aanzet vormen voor de realisatie van één lang, doorlopend Waalpad, dat een keten van uiterwaarden en binnendijks gelegen landgoederen/ rivierdorpen aan beide waaloevers met elkaar verbindt.

Recreatieve initiatieven

De gemeente wil particuliere recreatieve initiatieven stimuleren. Vooral in het oeverwalgebied en in het Beuningse Veld ziet de gemeente kansen voor nieuwe initiatieven. In aanvulling daarop wil de gemeente langs de dijk op een beperkt aantal plekken ruimte bieden voor horeca. Tevens staat de gemeente open voor nieuwe initiatieven, zeker waar zij een bijdrage kunnen leveren aan de toeristisch-recreatieve ambities van de gemeente.

4.3.3 LandschapsOntwikkelingsPlan

De gemeente Beuningen heeft in 2006 samen met de gemeente Wijchen en Druten een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld. De visie zet in op de versterking en ontwikkeling van de verschillende landschapstypen die het landschap in deze gemeenten karakteriseren. Het plangebied is gelegen binnen het gebied 'Waaloeverwallen', op de overgang met de 'Waalkommen'. Dit deelgebied is landschappelijk fraai en recreatief zeer aantrekkelijk door de diversiteit, de kleinschaligheid en de groene uitstraling. De diversiteit en kleinschaligheid is terug te vinden in het samenspel van bebouwingslinten, dorpen, weiden en boomgaarden in onregelmatige patronen.

Vanuit Nijmegen en andere gebieden bestaat er behoefte om in het buitengebied te ontspannen en te recreëren. Het landschap binnen de gemeente(n) is veelzijdig en aantrekkelijk en grote delen lenen zich goed voor deze recreatieve uitloopfunctie voor de lokale bevolking en de bevolking uit de regio. Het landschap kan hier wel nog beter voor worden uitgerust. Naast deze recreatieve functie kan het buitengebied een toeristische functie vervullen, waarbij de bezoekers of verblijfsrecreanten inkomsten genereren voor het gebied. Kwaliteiten die het landschap voor de toerist te bieden heeft, zijn onder andere rust en ruimte. Op overgangen van twee landschapstypen kunnen recreatieve voorzieningen een bijdrage leveren aan de herkenbaarheid van het landschap.

Het recreatief netwerk dat wordt nagestreefd bestaat uit paden, wegen en routes (geschikt voor fietsers, lange afstandswandelaars en skeeleraars), verknopingen van routes, kleinschalige bezienswaardigheden of rustpunten. Het netwerk is met de omgeving en de voorzieningen in de kernen verbonden. In het gebied is momenteel maar een beperkt aantal te bezoeken attracties, bezienswaardigheden en horecapunten aanwezig. De visie zet in op uitbreiding van kleinschalige recreatieve voorzieningen, passend binnen het landschapstype.

In 2013 is een nieuwe uitvoeringsstrategie vastgesteld. Het faciliteren en verbinden van initiatieven van derden staat hierin centraal. De thema's waarop de doelen van het uitvoeringsprogramma zich richten zijn: behouden en versterken van het landschap, economische dragers landschap, ecologisch netwerk en de toegankelijkheid. Het versterken en ontwikkelen van recreatie en toerisme is één van de doelen binnen deze thema's.

4.3.4 Toeristisch en recreatief beleid

Beleidsvisie recreatie en toerisme

In 2015 is de beleidsvisie recreatie en toerisme vastgesteld. De nota gaat over de mogelijkheden en visie over het hele Beuningse grondgebied en kijkt over de gemeentegrenzen heen. Het profiel van de gemeente maakt het geschikt voor veel soorten van vrijetijdsbesteding. De gemeente wil inzetten op en meewerken aan kleinschalige ontwikkelingen die passen bij het gebied. Het oeverwallengebied is vooral geschikt voor natuurbeleving en extensieve recreatie zoals wandelen en fietsen. De mogelijkheden voor grootschaligere evenementen en ontwikkelingen zijn ruimtelijk beter passend binnen de dorpskernen, op bestaande locaties zoals de Groene Heuvels en Hof van Wezel, of anders in het kommengebied.

Beuningen moet gebruik maken van de mogelijkheden die Nijmegen als grote stad in de directe nabijheid biedt. De gemeente heeft de ambitie om de ligging nabij de stad Nijmegen optimaal te benutten. Ze wil bezoekers op steenworp afstand van de stad rust en (groene) ruimte bieden en denkt hierbij een goede evenknie te zijn van de Ooijpolder ten oostzijde van Nijmegen. Hiervoor stimuleert de gemeente initiatieven door het leggen van verbindingen, het wegnemen van belemmeringen en door het snel verlenen van vergunningen. De gemeente vindt het belangrijk dat ondernemers op het gebied van recreatie en toerisme elkaar kennen. Hiervoor zijn werkconferenties georganiseerd met als resultaat een indrukwekkende lijst met recreatieve ideeën en plannen. Er wordt volop gewerkt aan de uitwerking en uitvoering van deze ideeën. Een voorbeeld is de ontwikkeling van gezamenlijke arrangementen. De gemeente helpt waar mogelijk met de begeleiding van subsidieaanvragen en nieuwe bestemmingsplannen. Bijvoorbeeld voor de oprichting van een minicamping in het oeverwallengebied.

Bezoekers moeten verleid worden om ook Beuningen te bezoeken of Beuningen als overnachtingsplaats te kiezen voor een dagbezoek aan Nijmegen. De gemeente Beuningen gaat zich meer profileren als uitloopgebied van de stad binnen het Rijk van Nijmegen. De gemeente kent veel (kleine) ondernemers die een bijdrage leveren aan de recreatieve aantrekkelijkheid. Bed and Breakfasts, campings, theetuinen, landschapstuinen, creatieve activiteiten, terrassen, mobiele ondernemers met versnaperingen zoals ijs en koffie etc. De gemeente wil medewerking verlenen, ruimte scheppen en verbindingen leggen zodat deze ondernemers optimaal kunnen funtioneren. De functieverbreding van de horecabestemming biedt ondersteuning aan de versterking van de toeristisch-recreatieve structuur en is dan ook passend binnen dit beleid.

WaalWeelde

De Beuningse Uiterwaarden is een belangrijk uitloopgebied voor inwoners van Beuningen, Weurt en met de ontwikkeling van de westkant van Nijmegen ook voor Nijmegenaren. Sinds de jaren negentig wordt er hard gewerkt aan natuur- en landschapsontwikkeling in de uiterwaarden om de ruimtelijke kwaliteit en de hoogwaterveiligheid te versterken. In 2005 is de provincie Gelderland gestart met het programma WaalWeelde. WaalWeelde is een integrale gebiedsontwikkeling met als doel om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te versterken in combinatie met o.a. wonen, klimaat (waterafvoer), natuurontwikkeling, cultuurhistorie en recreatie en toerisme. Eén project van WaalWeelde is ‘Weelde in de uiterwaarden’. In het oorspronkelijke plan was een nevengeul gepland om de Waal extra ruimte te geven. Deze geul is vervallen en heeft plaats gemaakt voor een klimaatbuffer in de vorm van een waterplas met glooiende oevers. Hierbij is extra aandacht voor natuur en recreatie.

Eén van de belangrijkste doelstellingen voor de Beuningse Uiterwaarden is dat er ook meer mogelijkheden komen voor recreatie. Aan de ene kant van de uiterwaard ligt de veerstoep van Beuningen. Het andere ankerpunt is de ontwikkeling van een recreatief punt op het schiereilandje aan de oostzijde van de Beuningse Uiterwaarden. Deze twee ankerpunten worden verbonden door struinroutes en wandelpaden. Een bijzondere plek in de verbinding van de twee elementen is de restauratie van het Weurtsche Straatje, een oude verbindingsroute in het gebied, omzoomd met oude meidoorns, struiken, rozen en autochtone bomen. Het wandelpad is al decennia niet meer toegankelijk. In overleg met lokale partijen is een ontwerp gemaakt voor het pad en wordt het beloop- en beleefbaar. Het schiereiland wordt ingericht met een natuurspeelplek, picknickplaats en uitkijktoren.

4.3.5 Conclusie

Aangezien de functieverbreding plaatsvindt binnen bestaande bebouwing en dit plan een bijdrage/ondersteuning levert aan de recreatieve ambities van de gemeente, is het bestemmingsplan passend binnen het gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 5 Milieu- & omgevingsaspecten

5.1 Verkeer & parkeren

De Van Heemstraweg is een belangrijke doorgaande route. Met dit bestemmingsplan dat enkel een functieverbreding binnen het bestaande pand beoogt, wijzigt de verkeersintensiteit niet significant, laat staan dat deze effect heeft op de doorstroming op de Van Heemstraweg. Ten oosten van het bestaande pand is reeds een ruime parkeervoorziening aanwezig.

5.2 Bodem

5.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

5.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan beoogt enkel een functieverbreding binnen de bestaande bebouwing, bodemonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.3 Geluid

5.3.1 Regelgeving

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) en het daaraan hangende Besluit geluidhinder (Bgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

In het geval er nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten maatregelen getroffen worden, om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Wanneer ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen bouw van woningen of andere geluidgevoelige gebouwen mogelijk tenzij deze worden voorzien van dove gevels. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort.

In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk). De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Conform artikel 74 lid 2 bevindt zich geen zone langs wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke voorkeursgrenswaarde 48 dB.

Op basis van het Bouwbesluit 2012 geldt een minimale geluidwering van 20 dB voor een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied (gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen). In die gevallen waarbij een besluit hogere waarden is genomen (op basis van de Wet geluidhinder of de Tracéwet) geldt de eis dat de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie het verschil is tussen de hoogst toelaatbare geluidbelasting (uit het besluit hogere waarden) en 35 dB(A) bij industrielawaai of 33 dB bij weg- of spoorweglawaai.

5.3.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Het verkeer van en naar de horecagelegenheid wordt als onderdeel van de inrichting gezien. Dit is dan ook onderdeel van het onderzoek naar het aspect industrielawaai, zie 5.4.

5.4 Bedrijven en Milieuzonering

5.4.1 Regelgeving

Wanneer nieuwe inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een onderbouwing uit moeten wijzen in hoeverre sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat van nabij gelegen gevoelige functies. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen van gevoelige functies de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

5.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Onderzoek industrielawaai

In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek verricht (Peutz bv, 'Café Hanneke te Weurt, Akoestisch onderzoek bestemmingsplanwijziging', rapportnr. DB 2034-1-RA, 21 september 2016). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in relatie tot de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer in de situatie met een (besloten) feest met muziek in de feestzaal en gelijktijdig gebruik van het cafégedeelte na 23.00 uur, het muziekgeluidniveau in de zaal maximaal 92 dB(A) en in het café maximaal 88 dB(A) mag bedragen. Bij niet gelijktijdige gebruik bedragen de waarden respectievelijk 92 en 89 dB(A).

Inclusief het gewenste gebruik van het cafégedeelte blijft aangaande café Hanneke met geluidbelastingen tot 50 dB(A) sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in de omgeving, ook indien in de beoordeling geluiden worden meegenomen die bij toetsing aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit buiten beschouwing worden gelaten, zoals menselijk stemgeluid op het terras en piekgeluiden van het komen en gaan van bezoekers.

Op verzoek van de gemeente is de cumulatie van de inrichting en het wegverkeer op de Van Heemstraweg beoordeeld, e.e.a. middels de zogenaamde “methode Miedema”. De milieukwaliteit van het gebied in de omgeving van café Hanneke wordt geheel bepaald door het wegverkeer. Café Hanneke heeft geen relevante invloed op deze milieukwaliteit. Uitgaande van de genoemde methode Miedema is de kwaliteit als “tamelijk slecht” te kwalificeren, zowel met als zonder Café Hanneke.

Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat met de in dit bestemmingsplan beoogde functieverbreding voldaan wordt aan een goed- woon en leefklimaat. Om dit ook planologisch-juridisch te borgen zijn de maximaal toegestane muziekgeluidniveaus opgenomen in de gebruiksregels.

Het onderzoek is getoetst door de ODRN (W.Z15.018172.02, D162455841). De Omgevingsdienst concludeert dat gezien de berekende geluidniveaus wordt voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Inclusief activiteiten die normaliter niet worden getoetst aan het Activiteitenbesluit zoals het terras met stemgeluid/parkeren zijn de geluidniveaus max 50 dB(A) etmaalwaarde (dit is inclusief strafcorrectie, in verband met hoorbaar muziekgeluid afkomstig van de feestzaal of café die bepalend zijn op de gevel van naastliggende woning). Hiermee voldoet de geluidbelasting als gevolg van het café met de bestaande feestzaal tevens aan de toetsingswaarden voor gemengd gebied (50 dB(A) etmaalwaarde). V.w.b. het café/feestzaal is er voor de omgeving sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Cumulatief is het bestaande wegverkeerslawaai bepalend voor het geluid en het leefklimaat. Hierdoor is er sprake van een tamelijk slecht leefklimaat. Door bestemmen van een café verslechtert de situatie niet.

Om aan de geluidnormering te kunnen voldoen dient er wel een restrictie te gelden voor het binnenniveau van de zaal (i.c. 92 dB(A)) en het binnenniveau van het café (88 dB(A) bij gelijktijdigheid met de zaal en 89 dB(A) separaat).

Overige bedrijvigheid omgeving

Dit plan beoogt een functieverbreding binnen de bestaande bebouwing. De verbreding is echter lichter van aard dan de huidige mogelijkheden. In de directe omgeving zijn dan ook geen inrichtingen en bedrijven aanwezig die, als gevolg van dit bestemmingsplan, in hun bedrijfsvoering worden geschaad. Andersom geldt dat het horecabedrijf geen overlast ondervindt van de omliggende bedrijvigheid. Ten aanzien van het LPG-vulpunt wordt verwezen naar 5.7.2. Er is dus sprake van een goede woon- en leefomgeving. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Conclusie

Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. De maximale muizekgeluidniveaus zijn geborgd in de regels, hiermee blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.5 Luchtkwaliteit

5.5.1 Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

5.5.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Met dit bestemmingsplan vindt een functieverbreding plaats binnen de bestaande bebouwing. Het aantal verkeersbewegingen zal niet zodanig en significant wijzigen dat dit buiten de categorie 'niet in betekenende mate' zal vallen. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.6 Geur

5.6.1 Regelgeving

Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder dienen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken te worden toegepast. Veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimumafstanden en of norm voor de geurbelasting tot geurgevoelige objecten.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. De Wgv stelt alleen eisen aan de geurhinder vanwege dierenverblijven. De Wgv maakt hierbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren:

  • De wet schrijft voor dat bij dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld de geurbelasting op een 'geurgevoelig object' niet meer mag bedragen dan een bepaalde waarde. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv).
  • Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen, dient tenminste een minimale afstand tussen een veehouderij en een 'geurgevoelig object' te worden aangehouden.

De maximaal toegestane geurbelasting op 'geurgevoelige objecten' is bij dieren met een geuremissiefactor afhankelijk van de liggen van de objecten. Deze maximale waarde voor de geurbelasting is opgenomen in artikel 3 van de Wgv en wordt uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (OUe/m³). Hierbij wordt uitgegaan van de 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent dat de berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van het jaar niet wordt overschreden.

Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

5.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd die hinder veroorzaken. Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.7 Externe veiligheid

5.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

Op 1 april 2015 is de regeling ‘Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ in werking getreden. Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet beheerst de afweging tussen enerzijds een noodzaak en toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen en anderzijds een behoefte om de fysieke ruimte langs en boven de infrastructuur intensiever te benutten. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd.

5.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPCafeHanneke-ow01_0004.png"

Uitsnede risicokaart

Inrichtingen c.q. bedrijven
Ten oosten van het plangebied is een LPG-tankstation met vulpunt gelegen met een maximale vergunde doorzet van 1000 m3/jr. Het (ondergrondse) vulpunt is middels een gebiedsaanduiding opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'. De gebiedsaanduiding valt buiten de bestaande bebouwing.

Tussen het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de LPG-branche is een Safety Deal gesloten. Deze Safety Deal zorgt ervoor dat de LPG-tankwagens ook in de toekomst voorzien zijn van hittewerende bekleding en voldoen aan de daarvoor opgestelde richtlijn. Op basis hiervan heeft het ministerie IenM de Revi gewijzigd en is de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid' in werking getreden.

In het Bevi/Revi zijn veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico vastgelegd. Deze afstanden gelden als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Daarnaast is er een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico van toepassing binnen het invloedsgebied van 150 meter.

Met het doorvoeren van hittewerende bekleding is het risico op het plaatsvinden van een BLEVE aanzienlijk verlaagd. Hierdoor is het plaatsgebonden risico voor een LPG-tankstation aanzienlijk lager. De maatgevende veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico zijn hiermee verkleind. Voor de verantwoording van het groepsrisico verandert er niets. De nieuwe veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico zijn in onderstaande tabel weergegeven. De bestaande bebouwing is buiten de genoemde (oude en nieuwe) afstandsnormen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPCafeHanneke-ow01_0005.png"

veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico

De bestaande bebouwing binnen het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour zoals deze is opgenomen binnen het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'. Met de SafetyDeal zijn deze contouren zelfs kleiner geworden. De planologische mogelijkheden voor de feestzaal (meest bezoekersintensief) worden met dit bestemmingsplan niet uitgebreid. Met de middels dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte functievebreding zal het aantal aanwezige personen niet significant toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Het bestemmingsplan leidt niet tot een significante verhoging van personendichtheden binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Er zal derhalve geen sprake zijn van een toename van het groepsrisico. Bovendien is het na de recente verbouwing van het tankstation niet meer mogelijk om LPG te tanken en is dan ook geen sprake meer van een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg
Over de Van Heemstraweg vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een rijks- of provinciale weg. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is dan ook niet van invloed op deze ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water
Het plangebied is op circa 1.100 meter van de Waal gelegen. Conform de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, bijlage 3, Basisnet Water, zijn de Waal en het Maas-Waalkanaal zwarte vaarwegen (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt. Daarnaast zijn deze vaarwegen op zeer ruime afstand gelegen en vindt geen significante toename van het groepsrisico plaats.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding
Op ruime afstand ten westen van het plangebied ligt een aantal (hogedruk) aardgastransportleidingen. De afstand tot het plangebied betreft ruim 590 m, het plangebied is dan ook buiten de inventarisatieafstand gelegen.

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.8 Waterhuishouding

5.8.1 Regelgeving

Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Waterplan Gelderland 2010 - 2015, Waterhuishoudingsplan Gelderland (WHP3) en Gelders Milieuplan;
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren;
  • Gemeente: Waterplan Beuningen en Gemeentelijk RioleringsPlan 2013 - 2017.

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten, om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een ontheffing van de Keur noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit :

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

Uitgangspunten gemeente Beuningen

Waterplan

In het Waterplan Beuningen wordt het gemeentelijk waterbeleid verwoord. In het waterplan worden de ambities op het gebied van water in Beuningen onderverdeeld in 5 categorieën:

  • 1. Afkoppelen: het afkoppelen van 25 % van het verhard oppervlak van het gemengd stelsel in 2010; 100 % afkoppelen bij uitbreidingsplannen.
  • 2. Waterkwaliteit: verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit in Beuningen conform de functie toekenning van het oppervlaktewater.
  • 3. Het toekennen van functies aan het oppervlaktewater: Hierdoor zijn functietypen gedefinieerd die bestaan uit een onderling samenhangend geheel van doelstellingen met betrekking tot waterkwaliteit, waterkwantiteit, natuurwaarden, inrichting en onderhoud. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende functietypen:
  • a. natuurlijk water
  • b. belevingswater
  • c. kijkwater

Het beheer en onderhoud wordt hierop aangepast.

  • 4. Veiligheid: Bij de aanleg en inrichting van waterlopen wordt bewust rekening gehouden met de kindveiligheid van het water. Dit betekent dat flauwe en/of plasdras zones aangelegd moeten worden om verdrinking te voorkomen.
  • 5. Waterbeleving: Water meer zichtbaar maken en elementen toevoegen, zodat het water meer beleefd wordt.

Gemeentelijk rioleringsplan 2013 - 2017

De gemeenteraad heeft het Gemeentelijk RioleringsPlan 2013 - 2017 (GRP) in november 2012 vastgesteld. Hierin is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Samengevat hieruit het volgende:

Wateroverlast

De gemeente streeft ernaar wateroverlast te voorkomen, maar kan dit niet uitsluiten. Dit houdt in dat de gemeente er voor kiest op basis van theoretische benadering, middels rioolberekeningen, water op straat te accepteren voor een minimale periode (de norm is gesteld op 1 keer per 2 jaar). Indien in de praktijk schade ontstaat aan eigendommen, wordt door de gemeente onderzocht of adequate maatregelen te treffen zijn.

Klimaatverandering

De gemeente maakt per typegebied verschillende acceptatieniveaus. Het betekent een verbreding ten opzichte van de traditionele aanpak: niet alleen het ondergrondse afvoersysteem beschouwen, maar ook het bovengrondse. De gemeente laat dit een rol spelen bij inrichting van de openbare ruimte.

Van een perceelseigenaar wordt heden ten dage meer verwacht. Het nieuwe uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, hetgeen ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

5.8.2 Huidige en toekomstige situatie

In het plangebied is geen sprake van open water. het plangebied is nagenoeg geheel verhard. Het plan beoogt een functieverbreding in bestaande bebouwing en heeft dan ook geen effect op de waterhuishoudkundige situatie.

5.8.3 Wateradvies

Bovenstaande paragraaf zal voor advies aan het waterschap worden voorgelegd.

5.8.4 Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.9 Ecologie

5.9.1 Regelgeving

In Nederland is de bescherming van natuurwaarden in twee wetten geregeld, namelijk in de Flora- en faunawet (2002) en in de Natuurbeschermingswet (1998). De Natuurbeschermingswet is gericht op de bescherming van leefgebieden. Deze wet bepaalt wat er wel en niet mag in de beschermde natuurgebieden. Activiteiten die mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor de natuurwaarden mogen niet plaats vinden zonder vergunning. Verder is iedereen verplicht zorgvuldig om te gaan met natuurgebieden, de zogenaamde zorgplicht.

De Flora- en faunawet is gericht op de bescherming van soorten. Deze wet beschermt een groot aantal in het wild levende planten- en diersoorten, ook buiten beschermde natuurgebieden. Op grond van de Flora en faunawet is het verboden beschermde planten te vernielen of te beschadigen, beschermde dieren te verstoren, verwonden of te doden. Daarnaast is het verboden rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten te beschadigen, weg te nemen of te vernielen. Ontheffing van deze regels is onder voorwaarde mogelijk. Ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Met ingang van de Wabo per 1 oktober 2010 is de Flora en faunawet ook “aangehaakt” bij de Wabo-procedure. In plaats van een ontheffing Ff-wet wordt er dan een zogenaamde “verklaring van geen bedenkingen” (VVGB) afgegeven. Het afgeven van een VVGB vormt dan een onderdeel van de omgevingsvergunning. Het is echter nog steeds mogelijk om een aparte ontheffing aan te vragen bij het Ministerie van ELI, met als voordeel dat de doorlooptijd van de procedure korter kan zijn.

Naast de wettelijke verbodsbepalingen is er altijd sprake van een algemene zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor dieren, planten en hun leefomgeving. Dit houdt onder andere in dat handelingen worden nagelaten die negatieve gevolgen hebben voor soorten of dat maatregelen worden genomen om negatieve gevolgen te voorkomen.

5.9.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Dit plan beoogt enkel een functieverbreding in de bestaande bebouwing. Het plan heeft dan ook geen invloed op beschermde gebieden en soorten. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.10 Archeologie & cultuurhistorie

5.10.1 Regelgeving

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2019 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2019 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2019. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

5.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Dit plan beoogt enkel de functieverbreding in de bestaande bebouwing en heeft dan ook geen invloed op eventuele archeologische en/of cultuurhistorische waarden. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.11 Leidingen

In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones dienen te worden opgenomen.

5.12 Vormvrije MER-beoordeling

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft bijvoorbeeld ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is: Gelet hierop, kan worden geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld.

6.2 Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg zal het plan onder andere besproken worden met de volgende partijen:

  • Provincie Gelderland;
  • Waterschap Rivierenland.

De eventueel ingediende reacties worden vervolgens van een gemeentelijke reactie voorzien.

6.3 Zienswijzen

Gelet op het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen indienen. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden vervolgens van een gemeentelijke reactie voorzien.