direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Plakstraat 5 Winssen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 11 januari 2016 heeft de gemeente een principeverzoek ontvangen voor de bouw van een nieuw woongebouw op het erf van woonboerderij 't Spijker (gemeentelijk monument) aan de Plakstraat 5 in Winssen. In ruil voor de sloop van vrijwel alle bestaande voormalige agrarische opstallen mag op basis van het gemeentelijke functieveranderingsbeleid een woongebouw van maximaal 1.000 m³ worden teruggebouwd. Hiermee kan er een kwaliteitsslag worden gerealiseerd voor de omgeving en de historisch bijzondere ligging van het erf. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 19 april 2016 besloten in principe medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling.

Direct ten zuiden van het bestaande erf en de boerderij heeft sinds 1028 het 'Huis te Winssen' gestaan. Van dit kasteel is in de huidige situatie niets meer te zien, maar de locatie staat in de omgeving nog wel als zodanig bekend. Kaartbeelden en tekeningen laten zien dat het 'Huis' meerdere verschijningsvormen heeft gekend totdat de toenmalige eigenaar het 'Huis' in 1815 grotendeels heeft laten slopen. Samen met enkele opstallen vormt boerderij ’t Spijker het nog bestaande erf behorende bij het voormalige kasteel. De beplante oprijlaan is nog deels in stand gehouden maar heeft door ontwikkelingen in de directe omgeving niet meer de allure die het waarschijnlijk ooit heeft gehad.

In de toekomstige situatie zal het erf bestaan uit 2 woongebouwen: woonboerderij ’t Spijker (1 wooneenheid) en het nieuw te bouwen woongebouw (maximaal 2 wooneenheden). Overbodige bijgebouwen worden gesloopt. Een tweetal kenmerkende bijgebouwen worden behouden en indien noodzakelijk gerenoveerd. De plaats en uitstraling van deze bestaande bijgebouwen past goed in de beoogde visie waarin de bebouwing een gezamenlijk erf vormt.

Omdat het geldende bestemmingsplan binnen het bestemmingsvlak 'Wonen' ter plaatse slechts 1 woning toestaat (in plaats van 3), zal het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied moeten worden herzien.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen op de zuidelijke oeverwal van de rivier De Waal en maakt onderdeel uit van een bebouwingsconcentratie die als zuidelijke uitloper van de kern Winssen langs de Van Heemstraweg is gelegen, nabij de kruising van de Plakstraat – Van Heemstraweg. Oeverwallen zijn de hoger gelegen zandige afzettingen van de rivier en zij vormen van oudsher hierdoor een ideale vestigingsplaats. Het landschap kenmerkt zich hier door kleinschaligheid vanwege de aanwezigheid van singels en boomgaarden en variatie in bebouwing.

Nog tot 1960 vormde de gracht de duidelijke begrenzing van het perceel dat was opgedeeld in een voorburcht en een hoofdburcht. Deze gracht is echter eind vorige eeuw gedempt. De vroegere loop van de gracht is niet meer in het landschap herkenbaar.

Ook van de bebouwing op de hoofdburcht is niets meer te zien. Samen met enkele opstallen vormt boerderij ’t Spijker het bestaande erf. Slechts de beplante oprijlaan is ten dele in stand gehouden maar heeft niet meer de allure die het waarschijnlijk ooit heeft gehad.

Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0001.jpg" Globale ligging plangebied (rode druppel, Bron: maps.google.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0002.png"

Ligging plangebied (oranje aanduiding)

1.3 Geldende plannen

Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 14 juni 2011. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Wonen', 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0003.png"

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met ligging plangebied (rode aanduiding)

Binnen de bestemming 'Wonen' is slechts 1 woning toegestaan. Om de (maximaal) 2 woningen in het nieuwe woongebouw mogelijk te maken, zal de bestemming voor de gronden in het plangebied herzien moeten worden.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Bestaande situatie

Omgeving
Het bebouwingsbeeld langs de Plakstraat bestaat veelal uit voormalige agrarische bebouwing op ruime kavels en enkele (agrarische) bedrijven. Door de organische ontwikkeling is er daarbij geen sprake van een duidelijk ordeningsprincipe. De Plakstraat heeft een beperkte wegbreedte waarlangs de bebouwing zich relatief dicht op de weg bevindt. Verder zuidwestelijk langs de Plakstraat zijn de parkeerplaatsen van de voetbalvereniging Roda ’28 gelegen. Dit in combinatie met de nieuwe aansluiting van de Plakstraat op de Van Heemstraweg (deze is recentelijk verlegd) geeft de straat een erfachtige en bijna private uitstraling.

Het plangebied zelf kent een wat verscholen ligging dat via een recht van overpad te bereiken is. Direct aan de straatzijde (Plakstraat 3) bevindt zich de bedrijfsbebouwing van een houtbewerkingsbedrijf. Door de terugliggende situering van het erf op het perceel Plakstraat 5 maakt dit zich min of meer los van de lintbebouwing van waaruit de van oudsher solitaire ligging nog is af te lezen.

Het plangebied is zowel aan de oost-, zuid-, als westzijde omgeven door gebied met landelijk gebruik met aan de oostzijde een fraaie hoogstamboomgaard behorende bij het perceel Plakstraat 5. Het perceel aan de zuidzijde wordt gebruikt voor akkerbouw en aan de westzijde is open grasland gelegen. Hierdoor zijn er vanaf het erf in met name zuidelijke richting fraaie zichten aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0004.jpg"

Analyse bestaande situatie

Bestaand erf
Het huidige erf van het Huis te Winssen bestaat uit woonboerderij 't Spijker, opstallen voor de voormalige kalvermesterij en enkele overige bijgebouwen. De boerderij is aangemerkt als gemeentelijk monument maar verkeert in matige staat. Het is een gebouw met een bescheiden uitstraling. Onder andere door de lage goot, de beperkte ruimte rond het gebouw, de positie achter op het erf en het voormalige gebruik (schuur) is er van een duidelijk hoofdgebouw geen sprake.

Uit een inventarisatie blijkt overigens dat de opstallen een grote hoeveelheid asbest bevatten. Deze opstallen zullen in het kader van functieverandering worden gesloopt, waardoor ook sanering van dit asbest zal plaatsvinden.

De westzijde van het erf is ingevuld als dierenweide en op de erfgrens is een rij knotwilgen aangeplant. De oprijlaan is nog deels behouden en aangeplant met Essen en Esdoorns en aan de westzijde voorzien van onderbeplanting. De aan de oostzijde gelegen hoogstamfruitboomgaard is op leeftijd maar als landschapselement waardevol om te behouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0005.png"

Huidige situatie plangebied

2.2 Toekomstige situatie

Voor een goede ruimtelijk inpassing van deze ontwikkeling is een beeldkwaliteitplan opgesteld, die tevens de basis vormt voor het bestemmingsplan. Op basis van de stedenbouwkundige en landschappelijke karakteristieken in de directe omgeving zijn de ruimtelijke mogelijkheden onderzocht, de landschappelijke inpassing ontworpen en is de beeldkwaliteit gedefinieerd en middels sfeerbeelden weergegeven. Het beeldkwaliteitplan is opgenomen in Bijlage 1.

2.2.1 Concept

Uitgangspunt bij de transformatie van het perceel (waardonder de realisatie van een nieuw woongebouw) is het versterken van de erfachtige opzet. Uitgegaan wordt van maximaal 2 wooneenheden binnen 1 woongebouw conform het gemeentelijke beleid voor functieverandering. Dit gebouw zal vanuit ruimtelijk oogpunt, maar ook vanuit archeologie en cultuurhistorie binnen de contouren van de bestaande opstal worden gerealiseerd. Net als in de huidige situatie zal er geen sprake zijn van een eenduidig hoofdgebouw maar zal de bebouwing een harmonisch geheel vormen met respect voor de monumentale waarde van woonboerderij 't Spijker. De entree (gevormd door een laantje met begeleidende bomen) komt uit op het erf waaraan de verschillende gebouwen zijn gelegen, Op deze wijze blijft het bescheiden karakter van het erf behouden en wordt het erfensemble versterkt.

Sprake moet zijn van een enkelvoudig volume, dat met de nokrichting evenwijdig aan de oprijlaan is gelegen zoals ook bij de huidige bouw het geval is. Het gebouw zal daarmee het laantje begeleiden en het zicht op 't Spijker accentueren. Door de gevellijn ten opzichte van de bestaande schuur iets naar achter te leggen, ontstaat meer zicht op woonboerderij 't Spijker. De nieuwbouw heeft geen prominente entreepartij op de kopgevel maar een bescheiden toegang vanaf het laantje en / of vanaf het gemeenschappelijke erf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0006.jpg" Ruimtelijk concept Plakstraat 5

2.2.2 Inrichtingsvoorstel

In de toekomstige situatie zal het erf bestaan uit 2 woongebouwen: woonboerderij 't Spijker en het nieuw te bouwen woongebouw. Daarnaast zal de mogelijkheid voor het realiseren van bijgebouwen worden benut voor het behoud en (zo nodig) de renovatie van enkele bestaande (karakteristieke) bijgebouwen. De plaats en uitstraling van deze bijgebouwen past goed in de beoogde visie waarin de bebouwing een gezamenlijk erf vormt. Zo kan er in de nabijheid van het nieuwe woongebouw worden geparkeerd in de kapschuur waardoor tevens het zicht op de auto's wordt ontnomen. Voor het overige zal de bestaande bebouwing worden gesloopt. Het betreft de bijgebouwen aan de noordoostzijde (ter plaatse waar het nieuwe woongebouw wordt gerealiseerd) en aan de zuidwestzijde van het plangebied. Per saldo neemt het bebouwde oppervlak met dit bestemmingsplan op het erf af ten opzichte van de bestaande situatie. De sloop van de betreffende schuren is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

Het erf zal worden ingevuld met verschillende 'ingrediënten' die karakteristiek zijn voor een boerenerf. Deze ingrediënten krijgen elk hun positie rond het centrale erf. Door een groene omlijsting en een heldere vorm zal de ruimtelijke eenheid van het erf worden versterkt en wordt een fraaie overgang naar het landschap gecreëerd. De aanleg en instandhouding van de erfinrichting is als voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.

Het nieuwe woongebouw wordt geprojecteerd binnen de footprint van de bestaande stal waardoor de onderlinge relatie tussen de erfbebouwing wordt gehandhaafd. Samen met de overige bijgebouwen en 't Spijker zal het een eenheid vormen rondom de halfverharde binnenplaats.

De inrichting rond het nieuwe woongebouw en 't Spijker krijgt, passend binnen de erfopzet, een tuinachtige invulling (siertuin), terwijl de ruimte rond de bijgebouwen met een (dieren-)weide of hoogstamfruitboomgaard, een meer informele inrichting krijgt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0007.png"

Inrichtingsvoorstel Plakstraat 5

Om de perceelsgrenzen van het erf te markeren worden deze voorzien van gebiedseigen beplanting. Zo wordt het erf omzoomd door een haag die rondom de dierenweide is aangevuld met deels bestaande knotwilgen. Door een deel van de bestaande dierenweide om te vormen naar hakhoutbosje krijgt het erf een heldere vorm en komt dit min of meer los te liggen van de bebouwing direct aan de Plakstraat. Zo komt de voorste erfgrens te liggen op de denkbeeldig doorgetrokken lijn van de fruitboomgaard ten oosten van het plangebied.

Nabij de woongebouwen is het wenselijk om een bakenboom aan te planten die het erf markeert. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een beuk, eik, paardenkastanje, linde of walnoot. Maar ook varianten hierop zoals een rode beuk zijn erg passend.

Het nieuwe woongebouw wordt uitgevoerd met kap, heeft een ruime footprint en bestaat uit een heldere hoofdvorm zonder bij- of aanbouwen. Hierbij geldt een maximum goothoogte van 3,0 meter met een maximum bouwhoogte van 10,0 meter. Gebruik wordt gemaakt van een zadeldak. De verbijzonderingen dienen beperkt te blijven en zo veel als mogelijk worden opgenomen in het volume. Op- en aanbouwen en andere bouwkundige elementen zoals bijvoorbeeld dakkapellen moeten worden mee-ontworpen met de bouw van de woning en zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume.

2.2.3 Beeldkwaliteit

Kenmerkend voor de Waaloeverwal zijn de bebouwingslinten. De linten bestaan uit erven met een hoofdgebouw en één of meerdere ondergeschikte bijgebouwen. Het hoofdgebouw staat op een variabele afstand van de weg. De achtergelegen bijgebouwen staan aan een erf en liggen veelal versprongen ten opzichte van het hoofdgebouw. De kavels hebben een groene uitstraling door boomgaarden, erfbeplanting en erfafscheidingen. Het principe van de lintbebouwing en het boerenerf vormen het uitgangspunt voor de verdere beeldkwaliteit en inrichting, zie ook het beeldkwaliteitplan in de bijlage.

De bebouwing van het nieuwe woongebouw is onderdeel van het bestaande erf en wordt aan de voorzijde op het erf geplaatst. Conform de karakteristieken van erfbebouwing zal de woning worden uitgevoerd met kap. De nokrichting hiervan is, gelijk aan de bestaande situatie, evenwijdig aan de oprijlaan. Hierbij is sprake van een lage goot en een ruime kap. De vormgeving van het woongebouw heeft de uitstraling van archetypische erfbebouwing. Dit kan zowel van een traditionele of (door strakke belijning, materialisatie en vlakverdeling) van een meer hedendaagse uitstraling worden voorzien. Het gebruik van harde inrichtingsmaterialen zoals verharding, verlichting, hekwerken en paardenbakken blijft beperkt, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van natuurlijke materialen en neutrale kleuren (grijs, bruin, groen). Daarbij blijft de halfverharding van het laantje en het erf behouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0008.png"

Sfeerbeelden nieuw woongebouw

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2.

Planspecifiek
Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Planspecifiek
Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Planspecifiek
Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 2 woningen niet gezien als stedelijke ontwikkeling zoals dit in het Bro wordt gedefinieerd. Ter plaatse van het nieuwe woongebouw geldt reeds een woonbestemming. Het woongebouw wordt ter plaatse van een bestaande (en te slopen) schuur gerealiseerd. Het doorlopen van de ladder is daarmee niet noodzakelijk.

Overigens blijkt uit het gemeentelijk woonbeleid (zie 3.3.3) dat er behoefte is aan de woningen en past het initiatief binnen de 'Gemeentelijke uitwerking Notitie functieverandering Buitengebied' (zie 3.3.2) en de regionale woningbouwafspraken (zie 3.2.4).

3.1.4 Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Algemeen

Op 14 januari 2014 heeft het college van Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie in hun vergadering van 9 juli 2014 vastgesteld. De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld. De Omgevingsvisie en -verordening zijn allebei op 18 oktober 2014 in werking getreden.

De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. De laatste actualisatie betreft het actualisatieplan dat op 13 december 2017 is vastgesteld.

3.2.2 Omgevingsvisie

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven:

  • 1. een duurzame economische structuur;
  • 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Ruimte in kleinere kernen en vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd.

De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat voor:

  • sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken;
  • een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan.

Als leidend principe hanteert de provincie de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Dit houdt in dat in bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moet worden aangegeven hoe met de ladder is omgegaan, zie ook 3.1.3. De provincie hanteert voor de bepaling van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro.

Planspecifiek
Voor het onderhavige plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Aangezien verder in het plangebied geen nieuwe planologische ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, is het plan passend binnen de omgevingsvisie.

3.2.3 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.

In het verstedelijkingsbeleid wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik toegepast. In lijn met de Omgevingsvisie is het zodoende mogelijk lokaal maatwerk te leveren. Ten aanzien van 'Wonen' is in artikel 2.2.1.1 opgenomen dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma voor de betreffende regio successievelijk het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Regionaal Programma Wonen.

Planspecifiek
Zoals in 3.2.4 is beschreven, heeft deze ontwikkeling geen invloed op de regionale woningbouwafspraken. Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de verordening. Daarmee is het plan passend binnen de omgevingsverordening.

3.2.4 Regionale woningbouwafspraken

In regionaal verband is een bovengrens voor het aantal te bouwen woningen bepaald en heeft de gemeente een keuze gemaakt voor te realiseren projecten. Door de bouw van jaarlijks gemiddeld 70 woningen tot 2025 kan de huishoudenstoename in de gemeente opvangen worden. Het accent ligt op Beuningen en Ewijk. Bij ontwikkelingen die anders lopen dan verwacht (vertraging) of bij bijzonder goede initiatieven zal een andere afweging gemaakt kunnen worden. Naast de aangewezen locaties is er ook nog ruimte in het woningbouwprogramma voor nog onbekende plannen/ locaties, waaronder dit bestemmingsplan. Deze vallen in de regionale afspraken onder de categorie 'diverse bouwplannen'.

Planspecifiek
Dit bestemmingsplan past binnen de gemeentelijke woonvisie en daarmee binnen de regionale afspraken.

3.2.5 Conclusie

Het bestemmingsplan is daarmee tevens passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie

De gemeentebrede Structuurvisie is op 8 mei 2012 vastgesteld. De structuurvisie is een ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter. Het bevat integrale keuzen voor de hoofdlijnen van het gemeentelijk ruimtelijk beleid voor de komende jaren en wordt ingezet als onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing voor bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en voorbereidingsbesluiten. Motto van de structuurvisie is dat de gemeente groen en dynamisch wil zijn. In essentie is het ruimtelijk beleid er op gericht om ruimte te geven aan dynamiek, waarbij de groene kwaliteiten van het gebied gerespecteerd en deze waar dat kan versterkt worden. Het motto wordt in de structuurvisie doorvertaald in enkele kernambities:

  • I. Beuningen: groene flank van de stadsregio;
  • II. Beuningen woongemeente: gedoseerde groei, oog voor kwaliteit;
  • III. Versterken en verbinden van landschappen;
  • IV. Ruimte voor water en recreatie;
  • V. Toekomstgerichte basisvoorzieningen in elke kern;
  • VI. Doorstroming én oversteekbaarheid Van Heemstraweg.

Ambitie II Beuningen woongemeente: gedoseerde groei, oog voor kwaliteit
Beuningen wil zich, binnen de regio, onderscheiden als woongemeente in een sterke groene setting. Het streven is tweeledig. Enerzijds gaat de gemeente voor een gedoseerde groei van het aantal woningen, waarbij gedifferentieerd wordt gebouwd voor de juiste doelgroepen (senioren, starters, kleine huishoudens). De gemeente biedt een gevarieerd aanbod aan woonmilieus: landelijk, dorps en centrum-dorps wonen. Elke kern heeft een eigen karakter en de sociale structuur binnen de kern is een groot goed. Hiermee voegt Beuningen echt iets toe aan het regionale woningaanbod (vooral grootstedelijke milieus) en wordt geanticipeerd op de vraag uit de markt naar deze woonmilieus. De gemeente bouwt woningen om invulling te geven aan de eigen woningbehoefte. Anderzijds zet de gemeente in op de versterking van de kwaliteit van de bestaande bebouwing en omgeving. Binnen de plancapaciteit die Beuningen nu heeft, maakt de gemeente keuzes op basis van kwaliteit en geld. Sommige ontwikkelingen worden in tijd naar achteren geschoven.

De gemeente vindt het belangrijk dat er de komende jaren in iedere kern gebouwd wordt en dat daarbij sprake is van organische groei, passend bij de ontwikkeling van de kern. Geen grootschalige uitbreidingen, maar kleinschalige impulsen, passend bij de bestaande sfeer en identiteit. Daar waar mogelijk geeft de gemeente voorkeur aan inbreidingslocaties boven uitbreidingslocaties.

Kern Winssen
Voor de kern Winssen is eerder een afzonderlijke structuurvisie Winssen opgesteld. De hoofdlijnen van deze structuurvisie zijn in de gemeentelijke structuurvisie geïntegreerd. Eén van de hoofdopgaven voor Winssen betreft Organisch doorontwikkelen: Winssen onderscheidt zich van de omliggende kernen van de gemeente Beuningen doordat het landschap sterk verweven is met de totale kern. Vanuit bijna elke hoek van de kern kan dit worden beleefd door het zicht op boomgaarden, weilanden, bos of de dijk. Binnen dit kleinschalige patroon liggen ontwikkelingsmogelijkheden voor de organische groei van het dorp waarbij de opgave is de bestaande karakteristiek te behouden.

Voor de kernranden geldt een algemene ontwikkelrichting die verder is gespecifieerd naar deelgebieden. Uitgangspunt voor het gehele gebied van Winssen is het behouden van de huidige structuren en het open karakter. Daarbij wordt ingezet op het versterken van de lintstructuren, onder andere door het toevoegen van laanbeplanting. Verder moeten de karakteristieke zichtlijnen vanaf de linten naar het landschap worden gewaarborgd. Dat houdt in dat er op een aantal plekken niet gebouwd mag worden. De meest cruciale, markante zichtlijnen moeten open blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0009.jpg"

Deelgebied tussen Van Heemstraweg en Koningstraat
Het plangebied is getypeerd als ‘groene linten – mogelijke bebouwing na 2020’. Aan deze linten wordt een geleidelijke uitbreiding langs deze linten niet uitgesloten, maar pas voorzien na 2020. De kwaliteit van dit gebied wordt versterkt door variatie in het gebruik van het land: zowel weiland en akkers alsmede enkele boomgaarden. Het open karakter van dit gebied moet hierbij behouden blijven.

Planspecifiek
Door met de voorliggende ontwikkeling een compact erf te realiseren, de laanbeplanting van de oprijlaan te versterken en de karakteristieke zichtlijnen te behouden wordt aangesloten bij de structuurvisie.

3.3.2 Gemeentelijke uitwerking Notitie functieverandering Buitengebied

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 26 januari 2010 de 'Gemeentelijke uitwerking Notitie functieverandering Buitengebied' vastgesteld. Op 3 september 2013 is een aanvulling op dit beleid vastgesteld.

Functieverandering naar wonen is mogelijk door het slopen van alle voormalige bedrijfsgebouwen en het herbouwen van een woning of woongebouw. Uitgangspunt hierbij is dat vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd ter grootte van maximaal 50 % van de gesloopte bebouwing. Deze nieuwbouw komt dan ter plaatse van de gesloopte bebouwing. Sloop vormt in vele gevallen de noodzakelijke verevening. Maar in sommige gevallen is het gewenst in te spelen op de specifieke situatie om daardoor een hogere ruimtelijke kwaliteit te bereiken. De verevening kan dan aangevuld worden op één van de volgende wijzen, mits wordt onderbouwd dat dit de beoogde verbetering in ruimtelijke kwaliteit oplevert:

  • het verkleinen van het bouwvlak/ 'groene' herbestemming;
  • het behouden van karakteristieke/ monumentale bebouwing;
  • het verbeteren van infrastructuur;
  • het ontwikkelen van natuur;
  • landschappelijke inpassing;
  • het aanleggen van recreatieve voorzieningen;
  • het financieel verevenen ten behoeve ruimtelijke ontwikkelingen buiten het plangebied (mits onderbouwd op basis van een gemeentelijke structuurvisie).

De mogelijkheden voor sloop en vervangende nieuwbouw zijn in navolgende tabel weergegeven, dit betreffen de maximale mogelijkheden:

Gesloopte oppervlakte bedrijfsgebouwen (m²)   Functieverandering naar wonen  
0 - 750   Geen mogelijkheden  
750*1 - 1.500   1 woning of woongebouw*2 van maximaal 1.000 m³  
> 1.500   2 woningen of 1 woongebouw*2 of 2 woongebouwen*3, waarbij de totale bouwmassa van de objecten niet meer dan 2.000 m³ mag bedragen  

*1 Indien een verzoek minder dan 750 m² sloop betreft kan van de beleidsregels worden afgeweken, mits het plan bijdraagt aan een wezenlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse of voor de directe omgeving (maatwerkoplossing).

*2 *3 Binnen een woongebouw mogen maximaal 4 appartementen of 3 eengezinswoningen worden gerealiseerd.

Hoofduitgangspunt is dat de realisatie van de nieuwbouw moet gebeuren ter plaatse van de gesloopte bebouwing. Realisatie op een andere locatie is alleen mogelijk als er een duidelijke planologische meerwaarde is toegekend. De vierkante meters moeten dan wel op één locatie gesloopt worden, het mag geen optelsom worden. Bij locaties met karakteristieke en monumentale bebouwing hoeft er niets gesloopt te worden om zo deze bijzondere bebouwing te behouden.

Planspecifiek
In het plangebied wordt 524 m² voormalige agrarische bebouwing gesloopt. De monumentale waarde van de bestaande woonboerderij, de cultuurhistorische waarde van deze unieke locatie, de karakteristieke uitstraling van de te behouden schuren, het herstellen van deze waarden en de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing rechtvaardigen een maatwerkoplossing.

Het hier gaat om een unieke locatie voor het nieuwe woongebouw door het clusteren van bebouwing nabij de monumentale woonboerderij 't Spijker (compact erf). Naast sloop wordt gebruik gemaakt van de volgende vereveningsvormen om de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te verbeteren.

  • het verkleinen van het bestemmingsvlak/ 'groene' herbestemming;
  • het behouden en renoveren van karakteristieke/ monumentale bebouwing;
  • landschappelijke inpassing.

In paragraaf 2.2 is in het inrichtingsvoorstel nader uitgewerkt hoe het plangebied in de toekomstige situatie eruit komt te zien. Het plan is passend binnen het gemeentelijke functieveranderingsbeleid.

3.3.3 Woonvisie

De gemeenteraad heeft de woonvisie voor de periode 2018-2023 op 19 december 2017 vastgesteld. Met deze Woonvisie stelt de gemeente haar woonbeleid voor de komende jaren vast. De Woonvisie vormt de basis voor het woningbouwprogramma in de komende jaren, afstemming met de buurgemeenten en prestatieafspraken met Standvast Wonen. De woonvisie gaat uit van een vitaal, zorgzaam en duurzame gemeente. In de toekomst (stip op de horizon circa 2030) bestaat de gemeente uit dorpen waarin het fijn wonen is voor mensen, ongeacht hun leeftijd, inkomen, mobiliteit of gezondheid. Kernen in een rustige, groene omgeving met de kracht van de nabijheid en bereikbaarheid van werk en voorzieningen in de stedelijke agglomeratie. De kernen zijn aantrekkelijke, duurzame en gezonde leefgemeenschappen, passend bij de (veranderende) vraag van de consument. De gemeente Beuningen is een bewuste keuze voor jonge gezinnen die de stad verlaten om in de gemeente rust en ruimte te zoeken, alsmede voor ouderen en zorgbehoevenden die in de gemeente willen blijven wonen. Met duurzame en zorgzame woonmilieus beschikt Beuningen over een onderscheidend, kwalitatief hoogwaardig palet aan woonmilieus in de regio.

Kwalitatieve opgave: inspelen op de mismatch

Het is de ambitie om over voldoende woningen te beschikken én de juiste woningen op de juiste plekken te hebben, passend bij de doelgroepen en woonwensen nu en op langere termijn. De mismatch tussen vraagontwikkeling en huidig woningaanbod is daarbij maatgevend. Binnen de gemeente moet een gevarieerd aanbod aan woonmilieus worden aangeboden: landelijk, dorps en centrum-dorps wonen.

Uitgangspunten zijn voorts:

  • Inbreiding gaat voor uitbreiding, tenzij inbreiding ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit van een wijk of kern (ruimte en groen). Uitbreiding buiten bebouwd gebied zal dan juist een ruimtelijke kwaliteitsimpuls voor het buitengebied (of de overgang van bebouwde kom en buitengebied) moeten bieden of een bijzonder woonmilieu moeten creëren dat niet mogelijk is in de bestaande kern;
  • De gemeente zet in op transformatie van leegstaand c.q. vrijkomend (agrarisch) vastgoed richting woningbouw, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat dit meerwaarde biedt voor de volkshuisvestelijke, maatschappelijke en/of ruimtelijke kwaliteit;
  • Transformatie wordt als een bredere opgave gezien. Daaronder valt ook: aanpassingen van woningen met het oog op levensloopbestendigheid, investeringen in verduurzaming in energetisch opzicht, verkoop van huurwoningen en terugbouwen van toekomstgerichte sociale huurwoningen (de dubbelslag), transformatie van wijken (herstructurering), splitsing grotere boerderijen/woningen;
  • Er wordt ingezet op een goede mix van appartementen en grondgebonden woningen, waarbij de specifieke kwaliteiten en potenties van de locaties leidend zijn;
  • De gemeente geeft prioriteit aan projecten die echt op korte termijn ontwikkeld moeten worden, vanwege de behoefte en de impuls die de projecten bieden voor bijvoorbeeld de woningmarkt;
  • Er wordt ingespeeld op de specifieke behoeften van doelgroepen die in de knel komen op de woningmarkt;
  • Voor woningbouwinitiatieven wordt een kwalitatieve meetlat ontwikkeld. Deze meetlat moet ervoor zorgen dat (ver-)bouwplannen zoveel mogelijk sporen met de door ons gewenste kwaliteiten. De meetlat wordt toegepast op nieuwe initiatieven, maar ook de huidige projecten worden getoetst. Zo kan de gemeente optimaal op kwaliteit sturen.

Kwantitatieve opgave: bandbreedte

Vanzelfsprekend is het inspelen op de kwalitatieve mismatch op de woningmarkt op termijn cruciaal, dat is vertrekpunt. Een kwantitatieve bandbreedte, als kader waarbinnen de juiste kwaliteiten gerealiseerd kunnen worden, blijft echter nodig. Meer dan in het verleden wil de gemeente daarin ruimte voor flexibiliteit creëren, zodat sneller wordt ingespeeld op nieuwe kansrijke initiatieven.

De gemeente gaat voor de periode 2015-2025 uit van een gedoseerde groei van het aantal woningen, gericht op de eigen woningbehoefte, waarbij gedifferentieerd wordt gebouwd voor de juiste doelgroepen (senioren, starters, kleine huishoudens). De woningvoorraad wordt uitgebreid binnen de globale bandbreedte van 800-900 woningen. Dit past binnen de regionale afspraken ten tijde van de vaststelling van de Woonvisie (inclusief aanvullende afspraken in 2016 en met betrekking tot de ontwikkeling van Den Elt) en houdt tevens rekening met enige mate van planvertraging (realisatie na 2025) en -uitval. Ook houdt de gemeente rekening met de voorspelde afname van de woningbehoefte op de langere termijn (na 2035). Het is hierbij zaak om de productie zo gelijk mogelijk over de tijd te faseren, vraaggericht te ontwikkelen (zie de kwalitatieve opgave) en de markt goed te monitoren.

Het is belangrijk dat er de komende jaren in iedere kern wordt gebouwd, passend bij de ontwikkeling van de kern, zodat deze vitaal blijven. Geen grootschalige uitbreidingen, maar kleinschalige impulsen, passend bij de bestaande sfeer en identiteit. Met identiteit wordt bedoeld datgene wat inwoners beschouwen als het unieke karakter van de kern en waarmee zij binding hebben. De reeds langer geleden ingezette ontwikkeling in Ewijk, als groeikern van de gemeente, wordt doorgezet, teneinde eerder gedane investeringen recht te doen en te komen tot een kwalitatief goede ruimtelijke afronding van het betreffende gebied. Daarnaast wil de gemeente ook in de andere kernen blijven toevoegen naar behoefte.

Wat betreft een goede programmering is het van belang, dat plannen die niet binnen een bepaalde termijn tot uitvoering komen, niet eindeloos op de planningslijst blijven staan. Dat zorgt er immers voor dat het bouwprogramma als het ware dichtslibt, het voorgenomen volume niet gehaald wordt en kansrijke alternatieven geblokkeerd worden. Jaarlijks stellen we ons kwalitatieve woningbouwprogramma bij op basis van de voortgang van woningbouwplannen. Daarbij vindt afstemming plaats op de spelregels die worden afgesproken met de subregio bij het opstellen van de in de regionale woonagenda, zie 3.2.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0010.png"

Accenten per kern

Op 14 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Beuningen uitgangspunten voor particuliere verzoeken vastgesteld. Hierin is opgenomen dat de gemeente jaarlijks meewerkt aan 5 losse verzoeken steeds voor de bouw van één woning.

Planspecifiek
Het verzoek om medewerking aan onderhavig initiatief voor de realisatie van een woongebouw (2 wooneenheden) is ingediend in 2016 en past binnen de vijf verzoeken per jaar. Het plan betreft de transformatie van een (voormalig) agrarisch bedrijf en is daarmee passend binnen de gemeentelijke woonvisie.

3.3.4 Landschapsontwikkelingsplan

In het landschapsontwikkelingsplan ‘Landschap in beweging’ (december 2006) voor de gemeente Beuningen, Druten en Wijchen wordt voor het deelgebied 'Waaloeverwal', waarbinnen het plangebied valt, een uitvoerige lijst met richtlijnen voor beeldkwaliteit van erven gegeven. Navolgend is een relevante selectie van deze richtlijnen opgenomen:

  • Het streven naar een erf met een landelijk karakter;
  • Het creëren van samenhang tussen bebouwing en beplanting op het erf;
  • Het gebruik maken van streekeigen, inheemse beplantingen, met royale afmetingen en voldoende ruimte om te groeien, die passen bij de maat en schaal van de bebouwing en het betreffende landschapstype;
  • Het beperken van harde materialen zoals verharding, verlichting, hekwerken en paardenbakken;
  • Het gebruik maken van traditionele verhardingen rond woonhuizen, zeker daar waar deze in het oog springen, zoals grind en klinkers;
  • Het markeren van boerderijen op de donken met een solitair van de 1e orde grootte, zoals een rode beuk.

Het kleinschalige samenspel van bebouwingslinten, dorpen, weiden en boomgaarden in onregelmatige patronen is uitgangspunt bij ontwikkelingen, evenals de zeer groene uitstraling door erfbeplantingen, hagen en wegbeplantingen. Doelstellingen op de Waaloeverwal zijn daarbij onder andere:

  • Het behouden en versterken van kleinschaligheid;
  • Het toestaan van kleinschalige bebouwing;
  • Het handhaven van groene zones tussen dorpen.

Planspecifiek
Vanwege de erfachtige opzet van het plangebied en monumentale waarde van woonboerderij ’t Spijker en de historische waarde van het erf zelf, is het van belang dat het erf ook in de nieuwe situatie een ruimtelijke eenheid vormt en het nieuwe woongebouw onderdeel wordt van het bestaande erf. De realisatie van het woongebouw moet dan ook passen in de karakteristieken van de omgeving en het erf. Enkele kenmerken van een erf, die van invloed zijn op de verdere uitwerking, zijn:

  • Een erf is een ensemble van gebouwen en beplanting;
  • Een erf bestaat uit gebouwde en niet-gebouwde elementen die in verschillende tijden tot stand zijn gekomen, maar toch een sterke samenhang hebben;
  • De elementen van een erf zijn gegroepeerd in en aan een gemeenschappelijke ruimte;
  • Een erf heeft een duidelijke hoofdentree;
  • Elk erf is verknoopt met het landschap.

Op het erf van het voormalige 'Huis te Winssen' is in de loop van de tijd bebouwing gerealiseerd en weer afgebroken. Een proces dat hoort bij een continue transformatie van een erf in tijd en gebruik. Enkele beeldkenmerken, zoals hierboven beschreven, zijn hierbij in dat proces een constante factor. Met de toevoeging van het woongebouw op het perceel wordt, rekening houdende met voorgaande, het erfensemble en de beeldkwaliteit van het erf versterkt.

3.4 Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer

Zowel de bestaande monumentale boerderij als de (maximaal) 2 nieuwe woningen worden ontsloten vanaf de bestaande bomenlaan die tussen de bebouwing op nr. 3 en nr. 7 aansluit op de Plakstraat. Via de Plakstraat is er een directe verbinding met de Van Heemstraweg.

Gezien de zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen vormt het aspect 'verkeer' geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.1.2 Parkeren

Bij de nieuwe woningen moeten minimaal 2 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd worden. De bestaande kapschuur zal worden benut als parkeerruimte (zie 2.2). Voor de bestaande woonboerderij is genoeg ruimte om op eigen erf te parkeren. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verkennend asbestonderzoek (Econsultancy, nr. 2092.001, d.d. 20 oktober 2017) uitgevoerd in het plangebied ter plaatse van de beoogde nieuwbouwlocatie van het woongebouw, zie Bijlage 2.

Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740)
De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met koper. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium.

Gelet op het regionale karakter van de lichte bariumverontreinigingen in het grondwater en de lichte verontreiniging met koper in de grond kan de onderzoekslocatie als 'onverdacht' ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Er bestaan volgens Econsultancy met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

Verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707)
Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

Regelgeving
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0011.png"

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen in de onderzoekszone van de Plakstraat (net voorbij de woning op nr. 5a) en van de Van Heemstraweg (50 à 60 km/u). De afstand tot de Van Heemstraweg betreft minimaal 150 m (met tussengelegen bebouwing) en tot het deel van de Plakstraat waar een maximum snelheid geldt van 60 km/u is de afstand minimaal 135 m. Ook hier is sprake van enige tussengelegen bebouwing.

Gezien de afstand tot het plangebied, de toekomstige verkeersintensiteiten, de maximum snelheid van 60 km/u en de tussengelegen bebouwing, is er geen aanleiding om te verwachten dat de wettelijke grenswaarde wordt overschreden. Dit wordt bevestigd door de geluidsonderzoeken die zijn verricht in het kader van de bestemmingsplannen 'Winssen, Van Heemstraweg 48' en 'Plakstraat 25 Winssen'.

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0012.jpg" Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Omdat het bebouwingslint ter hoogte van het plangebied aan de Plakstraat een gemengd karakter heeft, is de directe omgeving aan te merken als een 'gemengd gebied' en kan de benodigde richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd.

In de directe nabijheid van het plangebied komen de volgende bedrijven voor:

  • Een bedrijfsverzamelgebouw aan de Plakstraat 3: ter plaatse zijn volgens het geldende bestemmingsplan bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Dergelijke bedrijven hebben in een gemengd gebied een richtafstand van 30 m.

De afstand tot het plangebied betreft minimaal 23 m, waarmee niet aan de richtafstand wordt voldaan tot het nieuwe woongebouw. De bestaande woningen aan de Plakstraat 1 en Plakstraat 7 staan echter dichter bij het bedrijfsverzamelgebouw dan het woongebouw en zijn deze daarmee maatgevend voor de bedrijfsvoering van de bedrijven op Plakstraat 3.

De aanwezige inrichtingen en bedrijven in de directe omgeving van het plangebied worden, als gevolg van dit bestemmingsplan, niet in hun bedrijfsvoering geschaad. Andersom geldt dat de woningen geen overlast ondervinden van de bedrijvigheid. Er is dus sprake van een goede woon- en leefomgeving. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 2 extra woningen mogelijk. Dit betekent dat sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Geur

4.6.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

    Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
Binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 3 ouE/m³   max. 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
Buiten bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 14 ouE/m³   max. 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Geurnormen Wgv

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Geur bij niet-agrarische bedrijven
Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd die hinder veroorzaken. Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0013.jpg" Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (zwarte omcirkeling, Bron: www.risicokaart.nl)

Inrichtingen c.q. bedrijven
Uit de zowel de gegevens vanuit de provinciale risicokaart als de gemeentelijke signaleringskaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting.

Vervoer van gevaarlijke stoffen
De A50 is op circa 1.100 m van het plangebied gelegen. Het plangebied is daarmee buiten de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour gelegen. Over de direct om het plangebied gelegen wegen vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats.

Het plangebied is op circa 1.300 m van de Waal gelegen. Conform het Basisnet Water, is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt.

Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een spoorlijn.

Met de bouw van maximaal 2 extra woningen vindt geen significante toename van het groepsrisico plaats. Voor zover het plangebied al is gelegen binnen het invloedsgebied van een vervoersas, is deze in ieder geval buiten het aandachtsgebied gesitueerd (de afstand is ruimer dan 200 m). Het vervoer van gevaarlijke stoffen is dan ook niet van invloed op deze ontwikkeling. Aangezien met dit bestemmingsplan geen kwetsbare functies (ouderenzorg, kinderopvang, school) worden gerealiseerd, hebben de bewoners voldoende mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is dan ook niet van invloed op deze ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding
Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8 Waterhuishouding

4.8.1 Regelgeving

Algemeen
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren;
  • Gemeente: Waterplan Beuningen en Gemeentelijk RioleringsPlan 2013 - 2017.

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland
De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

Uitgangspunten gemeente

Waterplan
In het Waterplan Beuningen wordt het gemeentelijk waterbeleid verwoord. In het waterplan worden de ambities op het gebied van water in Beuningen onderverdeeld in 5 categorieën:

  • 1. Afkoppelen: het afkoppelen van 25 % van het verhard oppervlak van het gemengd stelsel in 2010; 100 % afkoppelen bij uitbreidingsplannen.
  • 2. Waterkwaliteit: verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit in Beuningen conform de functie toekenning van het oppervlaktewater.
  • 3. Het toekennen van functies aan het oppervlaktewater: Hierdoor zijn functietypen gedefinieerd die bestaan uit een onderling samenhangend geheel van doelstellingen met betrekking tot waterkwaliteit, waterkwantiteit, natuurwaarden, inrichting en onderhoud. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende functietypen:
  • 4. natuurlijk water
  • 5. belevingswater
  • 6. kijkwater

Het beheer en onderhoud wordt hierop aangepast.

  • 7. Veiligheid: Bij de aanleg en inrichting van waterlopen wordt bewust rekening gehouden met de kindveiligheid van het water. Dit betekent dat flauwe en/of plasdras zones aangelegd moeten worden om verdrinking te voorkomen.
  • 8. Waterbeleving: Water meer zichtbaar maken en elementen toevoegen, zodat het water meer beleefd wordt.

Gemeentelijk rioleringsplan 2013 - 2017
De gemeenteraad heeft het Gemeentelijk RioleringsPlan 2013 - 2017 (GRP) in november 2012 vastgesteld. Hierin is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Samengevat hieruit het volgende:

Wateroverlast
De gemeente streeft ernaar wateroverlast te voorkomen, maar kan dit niet uitsluiten. Dit houdt in dat de gemeente er voor kiest op basis van theoretische benadering, middels rioolberekeningen, water op straat te accepteren voor een minimale periode (de norm is gesteld op 1 keer per 2 jaar). Indien in de praktijk schade ontstaat aan eigendommen, wordt door de gemeente onderzocht of adequate maatregelen te treffen zijn.

Klimaatverandering
De gemeente maakt per typegebied verschillende acceptatieniveaus. Het betekent een verbreding ten opzichte van de traditionele aanpak: niet alleen het ondergrondse afvoersysteem beschouwen, maar ook het bovengrondse. De gemeente laat dit een rol spelen bij inrichting van de openbare ruimte.

Van een perceelseigenaar wordt heden ten dage meer verwacht. Het nieuwe uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

4.8.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Het nieuwe woongebouw wordt gerealiseerd ter plaatse van een bestaande schuur. De footprint van de woning is kleiner dan die van de schuur. Samen met eventuele tuinverharding, zal hier het toekomstige oppervlakte verharding niet groter zijn dan het bestaande oppervlakte. Verder wordt ten westen van de bestaande woning een schuur gesloopt van 198 m2. De gronden krijgen ter plaatse een groene inrichting. Voor het overige vindt geen verandering van de erfinrichting plaats en dus ook daar geen verruiming van het verharde oppervlak.


Uit bovenstaande blijkt dat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie ten opzichte van de bestaande situatie in ieder geval afneemt met 198 m². Daarnaast wordt het dakoppervlak van in ieder geval de nieuwe bebouwing zoveel als mogelijk afgekoppeld en gescheiden aangeboden op de perceelsgrens, en wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.

Voor het project is de digitale watertoets doorlopen (www.dewatertoets.nl). Op basis hiervan adviseert het waterschap positief over het plan. Het ruimtelijk plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer toegestuurd te worden aan Waterschap Rivierenland. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in Bijlage 3. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9 Ecologie

4.9.1 Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes:

  • 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn;
  • 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0209.BPPlakstraat5Winsn-ow01_0014.png" Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich:

  • 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen.
  • 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt.
  • 3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd.

In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.9.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In het kader van het bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (NWC Advies, 'Quickscan flora en fauna Plakstraat 5, Winssen', P17-141/W1358, september 2017), zie Bijlage 4. Op basis van dit onderzoek is mogelijk sprake van de aanwezigheid van verblijfplaatsen van Steenmarter, Steenuil en/of Kerkuil. Voorafgaand aan sloop- en renovatiewerkzaamheden dient daarom onderzoek uitgevoerd te worden om erachter te komen of er sprake is van vaste verblijfplaatsen. Bij het aantreffen van vaste verblijfplaats(en), dienen maatregelen genomen te worden om nadelige effecten te voorkomen dan wel te beperken en is mogelijk een ontheffing of positieve afwijzing nodig. Een ontheffing of positieve afwijzing zal naar alle waarschijnlijkheid verleend worden wanneer de benodigde maatregelen genomen worden om nadelige effecten te voorkomen dan wel te beperken. Om deze reden wordt het plan in het kader van de Wet natuurbescherming uitvoerbaar geacht. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10 Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2019 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2019 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2019. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Archeologie
Het erf rond de boerderij is van groot belang als terrein waarin zich belangrijke archeologische overblijfselen bevinden, vooral van de oude kasteelplaats. Wonen is al toegestaan op de gronden in het plangebied. De bouw van het nieuwe woongebouw vindt plaats binnen de contouren van een al bestaand (te slopen) opstal die tevens onderkelderd is. Zowel de monumentale boerderij aan de zuidzijde als het bijgebouw aan de westzijde betreffen bestaande gebouwen. Onderzoek naar archeologie wordt in het kader van het bestemmingsplan daarom niet noodzakelijk geacht. Ter borging van dit aspect, wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' uit het geldende bestemmingsplan opgenomen.

Cultuurhistorie
Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart is het plangebied gelegen binnen 'oud cultuurland (Vroege Middeleeuwen)'. De Notaris Stephanus Roesstraat is aangeduid als 'weg of pad, situatie 1832', 'wegbeplanting', 'achterwende' en 'stoomtram'.

Gemeentelijk monument Plakstraat 5
Deze vroeg 19e eeuwse boerderij is gelegen op het terrein, waar tot het begin van de 19e eeuw nog het kasteel ('Huis te Winssen') met bijgebouwen heeft gestaan. Dit terrein ligt ten zuiden van de Van Heemstraweg en ten oosten van de hier haaks op aansluitende Plakstraat. In 1820 was het kasteelterrein nog geheel omgracht. Op de kadastrale kaart van 1820 is nog duidelijk de scheiding tussen het terrein van de hoofdburcht en het terrein van de voorburcht waarneembaar. Dit rechthoekige geheel was omgeven door een gracht, waarbij een dwarsgracht het terrein tussen de woonburcht en voorburcht van elkaar scheidde. De oude oprijlaan verliet in het noordwesten het terrein en wanneer men deze as doortrekt dan komt deze uit in de kern van het dorp Winssen vlakbij de plaats waar de oude kerk stond. De huidige boerderij 't Spijker (de naam verwijst naar een oude middeleeuwse graanopslagplaats, Spijker genoemd) is volgens een kleine steen in de rechter hoek van de voorgevel en volgens een anker in de top van de achtergevel gebouwd in 1838. Deze boerderij kwam te staan op het voormalige voorburcht terrein, op de plaats waar het rechthoekige gebouw stond dat op de kaart van 1820 is weergegeven. Het pand kwam daardoor met de linker zijgevel vlak langs en parallel aan de dwarsgracht te liggen, die het voorburcht terrein van het hoofdburcht terrein scheidde. De oude funderingen van de hoofdburcht liggen daarom slechts een tiental meters ten zuiden van de zuidgevel (linker zijgevel). Waarschijnlijk heeft men bij de bouw van de boerderij gebruik gemaakt van funderingen en mogelijk ook van de kelder van het oudere gebouw, dat gezien de bewaarde bronnen tussen 1750 en 1820 voor het kasteel op het voorburcht terrein werd opgetrokken. De kelder links voor in het pand heeft een graatgewelf en kan daarom nog ouder (17e eeuws) zijn dan het pand dat op de kaart van 1820 is weergegeven.

De boerderij heeft eind 20e eeuw, met uitzondering van de achtergevel, ingrijpende verbouwingen ondergaan. Toch is de historische waarde van dit gebouw, als herinnering in steen van het oude 'Huis te Winssen', voor de gemeente zeer groot. Ook het erf rond de boerderij is van groot belang als terrein waarin zich belangrijke archeologische overblijfselen (kunnen) bevinden, met name van de oude kasteelplaats. De boerderij heeft nog een fraaie situering met ten zuiden en ten oosten van de woning wei- en akkerland, met ten noordoosten van de woning een hoogstamboomgaard. Achter en rechts naast de woning staan bijgebouwen rond een binnenplaats, toegankelijk via een lange laan (waarschijnlijk het restant van de oude oprijlaan van het kasteelcomplex) vanuit de ten noordwesten van dit complex gelegen Plakstraat.

De overige gebouwen in het plangebied zijn niet monumentaal. Wel is er zogezegd sprake van een waardevol erf rond de boerderij.

Omdat het gemeentelijk monument gehandhaafd blijft, kan in die zin gesteld worden dat er geen sprake is van de aantasting van cultuurhistorische waarden. De overige niet passende voormalige agrarische bijgebouwen worden gesloopt, zodat het beeld van de omgeving vanuit het zuiden zelfs verbetert. De boerderij bepaalt namelijk het beeld van de omgeving vanuit de erachter gelegen Poelsestraat en houdt tevens de herinnering aan de historische structuur van dit gebied met kasteel levend. Ook de beplante oprijlaan aan de noordzijde wordt versterkt om haar de allure terug te geven die zij waarschijnlijk ooit heeft gehad als oude kasteellaan.

Enkele bestaande bijgebouwen blijven behouden zodat daarmee, in samenhang met het nieuwe woongebouw en de oude woonboerderij, een compact erfensemble ontstaat (zie verder 2.2) passend binnen de context.

4.10.3 Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11 Leidingen

4.11.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

4.12 Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De voorgenomen activiteiten in dit bestemmingsplan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen.

Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.1.1 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels
In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde.

5.1.2 Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving 
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels 
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Afwijken van de gebruiksregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.1.3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel 
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels 
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene wijzigingsregels 
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.1.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels 
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2 Bestemmingen

Het bestemmingsplan kent 3 bestemmingen en 1 dubbelbestemming:

Agrarisch met waarden.

De geldende bestemming 'Wonen' loopt verder in oostelijke richting dan het erf in werkelijkheid wordt gebruikt. Aangezien het ruimtelijk ook vanuit een helder erfensemble gewenst is een rechtlijnige structuur te hebben, wordt ter plaatse de bestemming 'Agrarisch met waarde' conform het bestemmingsplan 'Buitengebied' opgenomen, aansluitend op de geldende bestemming van de aansluitende gronden.

Groen - Landelijk groen

De bestemming 'Groen - Landelijk groen' wordt in de gemeente Beuningen vaak toegepast op gronden die een open karakter hebben (weilanden, voormalige agrarische gronden en tuinen e.d.), in particulier eigendom zijn, maar niet (meer) beroepsmatig worden gebruikt voor agrarische doeleinden. De gronden met deze bestemming zijn veelal gelegen op de overgang van een dorpskern of bebouwingslint naar het buitengebied. De bestemming 'Groen - Landelijk groen' wordt gegeven aan de weide aan de westzijde van het plangebied. Door het vervolgens opnemen van de aanduiding 'landschap' en de in de woonbestemming opgenomen voorwaardelijke verplichting (aanleg en instandhouding landschappelijke inpassing), wordt tevens geborgd dat hier ook vergunningsvrij geen bouwmogelijkheden bestaan.

Wonen
Deze bestemming is vrijwel gelijk aan de bestemming 'Wonen' in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied', met dien verstande dat per bestemmingsvlak het maximum aantal woningen is aangegeven. Op het bestemmingsvlak ter plaatse van de 2 extra woningen is de aanduiding 'geen hoofdgebouwen toegestaan' opgenomen. Hiermee wordt een compact erfensemble, passend in de omgevingskarakteristiek, geborgd. Aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen mogen wel binnen deze aanduiding worden gesitueerd.

De maatvoering van de woningen is conform het gemeentelijke functieveranderingsbeleid en gelijk aan de standaardregeling voor de bestemming 'Wonen' in het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Beuningen. Per woongebouw (met daarin 1 of 2 woningen) geldt een maximale inhoudsmaat (inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken) van 1.000 m3 en mag het oppervlakte vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 120 m2. De maximale goothoogte van de woningen bedraagt 3 meter, de maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter.

In de bestemming is verder een dubbele voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze regelt dat de te realiseren woningen niet eerder in gebruik mogen worden genomen voordat de aangeduide bedrijfsbebouwing op de locatie is gesloopt en de landschappelijke inpassing is aangelegd en in stand wordt gehouden.

Waarde - Archeologie 1 (dubbelbestemming)
De gemeente Beuningen heeft een archeologische verwachtingenkaart laten vervaardigen, deze is samen met de beleidsnota archeologie vastgesteld door de gemeenteraad op 9 november 2010. Het archeologisch beleid is voor de bestemmingsplannen vertaald in dubbelbestemmingen, 'Waarde - Archeologie 1, 2 en 3'.

De gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' liggen tegen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch Rijksmonument' aan.

Voor bodemingrepen met een diepte van meer dan 0,3 m beneden maaiveld in gebieden die vallen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' wordt nader archeologisch onderzoek verplicht gesteld.

De keuze voor 0,3 m is gebaseerd op de gemiddelde verstoringsdiepte in Nederland, ook wel de bouwvoor genoemd. Deze keuze wordt onderbouwd door een uitspraak van de Raad van State van 23 mei 2007: 'Voorts is aannemelijk dat bij het vergraven en het afgraven van de bodem dieper dan 0,3 m de in de bodem archeologische waarden onherstelbaar kunnen worden beschadigd'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2 Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen:

  • Provincie Gelderland;
  • Waterschap Rivierenland.

Zowel de provincie als het waterschap hebben geen aanleiding gezien te moeten reageren op het voorontwerp.

6.3 Maatschappelijke haalbaarheid

Inspraak

Het voorontwerp van het bestemmingsplan heeft vanaf 8 maart 2018 tot en met 21 maart 2018 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen inspraakreacties ingediend bij de gemeente Beuningen.

Zienswijzen
Gelet op het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen indienen. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden vervolgens van een gemeentelijke reactie voorzien.